Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
Je gebruikt een niet-ondersteunde browser. Deze site kan er anders uitzien dan je verwacht.

In 1981 executeerde de Iraanse regering duizenden tegenstanders van het regime. Het is de grootste uitbarsting van staatsgeweld uit de recente geschiedenis van Iran. Toch is er maar weinig betrouwbare informatie beschikbaar over de aard en omvang van deze massaexecuties. UvA-onderzoeker Shahin Nasiri en zijn internationale collega’s brengen hier verandering in: ze gingen op zoek naar de identiteit van de slachtoffers en legden hun bevindingen vast in een vandaag gelanceerde online database.

Saeed Soltanpour (40), beroemde dichter en toneelschrijver, werd op 21 juni 1981 met 14 andere activisten geëxecuteerd. Dat markeert ook het begin van de massamoord.

Begin jaren tachtig, kort na de Iraanse Revolutie, moesten de tegenstanders van het regime het ontgelden. Duizenden activisten, academici, studenten en andere dissidenten werden gemarteld en gedood. Vooral in 1981 executeerde het regime in korte tijd veel dissidenten. ‘Bijna iedereen in Iran kent wel iemand die getroffen is door de massamoorden van de jaren tachtig,’ vertelt politiek filosoof Shahin Nasiri. ‘Maar de Iraanse regering probeert de omvang van de moorden te verdoezelen, onder meer door documenten en data te vernietigen en massagraven te verwoesten.’

Om toch de feiten omtrent de executies te achterhalen, zijn de onderzoekers van het internationale Rastyad Collective de afgelopen twee jaar bezig geweest met het verzamelen van bewijsmaterialen. Het is het eerste academische onderzoek naar deze massamoord. Nasiri, die zelf als tiener met zijn ouders vanuit Iran naar Nederland kwam, is een van de initiatiefnemers van het onderzoek en is ook woordvoerder van het onderzoekscollectief. ‘Voor de collega’s die in Iran wonen, is het te gevaarlijk om hun naam aan het project te verbinden’, vertelt hij. ‘Zelf woon en werk ik in Nederland en voel me daardoor relatief veilig. Het Iraanse regime zal niet blij zijn met dit onderzoek, maar als academici vinden wij het belangrijk de waarheid boven tafel te krijgen.’

Honderden minderjarige slachtoffers

De onderzoekers kozen voor een interdisciplinaire aanpak. Zo verzamelden ze in een uitgebreid veldonderzoek bewijsmaterialen over de executies. Met behulp van geolocatie-technieken en veldonderzoek slaagden ze erin de exacte graflocaties van meer dan 1000 dissidenten in Teheran visueel vast te leggen. ‘In de periode waarin de executies plaatsvonden, werden de namen van geëxecuteerde dissidenten in de staatsmedia gepubliceerd’, vertelt Nasiri. ‘Wij hebben de namen op grafstenen – voor zover die er zijn – vergeleken met de namen in deze berichten.’ Daarnaast bestudeerden de onderzoekers honderden archieven en verhalen van overlevenden en nabestaanden. Zo wisten ze de identiteit van meer dan 3500 slachtoffers vast te stellen. Met videobeelden en ander beeldmateriaal bewezen ze bovendien het bestaan van twee vernielde massagraven.

Het regime ziet vrouwen als minderwaardig, maar vrouwelijke dissidenten werden als volwaardige vijanden van de staat geëxecuteerd.
Farshad Zahra Miraftab (26), stedenbouwkundige en studentenactivist, werd in december 1981 geëxecuteerd.

‘Uit onze analyse blijkt dat de overgrote meerderheid van de geëxecuteerde dissidenten, meer dan tachtig procent, studenten en intellectuelen waren’, vertelt Nasiri. ‘Ook ontdekten we, aan de hand van de informatie op grafstenen, dat tien procent van de slachtoffers minderjarig was. Dat waren kinderen van tussen de elf en zeventien jaar oud, die werden geëxecuteerd omdat ze zich bijvoorbeeld op school kritisch hadden uitgelaten over het regime. We wisten al wel dat er ook minderjarigen onder de slachtoffers waren, maar niet dat het om deze grote aantallen ging.’ Ook veel vrouwen, van wie de meesten tieners waren, werden ter dood gebracht. Opvallend, merkt Nasiri op: ‘Het regime ziet vrouwen als minderwaardig, maar vrouwelijke dissidenten werden als volwaardige vijanden van de staat geëxecuteerd.’

Topje van de ijsberg

De onderzoekers brachten alle gevonden bewijsstukken samen op een vandaag gelanceerde website, die bestaat uit diverse databases, virtuele begraafplaatsen, geolocatie-data en duizenden andere bewijsmaterialen rondom de massaexecuties in 1981. De site is bedoeld voor een breed publiek. ‘Het is in de eerste plaats een dienst die we willen bewijzen aan de slachtoffers en hun nabestaanden’, aldus Nasiri. ‘Voor de familieleden van vermoorde dissidenten betekent het erkenning voor het leed dat ze veertig jaar zelf moesten dragen. Maar we vinden het ook voor toekomstige generaties belangrijk dat zij deze informatie tot hun beschikking hebben. Als je de feiten kent, kun je veel leren over hoe staatsgeweld een samenleving kan verwoesten.’

Als je de feiten kent, kun je veel leren over hoe staatsgeweld een samenleving kan verwoesten.

De bewijsmaterialen die de onderzoekers hebben gevonden, vormen een belangrijke stap in de goede richting. Toch is er nog heel veel werk te doen, zegt Nasiri. ‘De daadwerkelijke omvang van de massamoord is vele malen groter. De mensen van wie wij hebben kunnen vaststellen dat ze geëxecuteerd zijn, vormen het topje van de ijsberg. Er zijn nog veel meer mensen vermoord, maar daarvoor hebben we nog geen bewijsmateriaal kunnen vinden. We gaan dus door met het onderzoek, en we hopen dat nabestaanden van de slachtoffers ons aan meer informatie kunnen helpen waarmee we onze database verder kunnen uitbreiden.’

Onlangs verscheen in het Journal of Genocide Research een wetenschappelijke publicatie over het onderzoek. 

S. (Shahin) Nasiri MA

Faculteit der Geesteswetenschappen

Capaciteitsgroep Philosophy and Public Affairs