Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
Je gebruikt een niet-ondersteunde browser. Deze site kan er anders uitzien dan je verwacht.

Theo de Boer was van 1968 tot 1992 hoogleraar in de wijsgerige antropologie en haar geschiedenis aan de toenmalige Faculteit der Wijsbegeerte. Op 16 december 2021 is hij op 89-jarige leeftijd in alle rust overleden in het verpleeghuis in Amstelveen waarin hij al enige tijd verbleef.

Foto: Remco van Blokland (2008)

De Boer volgde aanvankelijk een studie klassieke talen en theologie aan de Vrije Universi­teit, maar besloot al vrij snel zich aan de filosofie te wijden. Na zijn doctoraal­examen heeft hij zich diepgaand met het werk van de grondlegger van de fenomenologie, Edmund Husserl, bezig­gehou­den. Deze arbeid resul­teerde in een dik proefschrift, De ontwik­ke­lingsgang in het denken van Husserl, waarop hij in 1966 met lof in Utrecht promo­veer­de. Hij kreeg voor dit werk nationale en internationale erkenning.

Daarna verlegde hij zijn belangstelling naar de hermeneutiek en de herme­neutische fenomenologie. Deze gaven hem veel meer de mogelijkheid om aan de orde te stellen hoe mensen hun eigen concrete ervaringen in de vele situaties waarin zij terechtkomen, in hun levensverhalen weten op te nemen. Of, anders gezegd, bij en met hen kon hij een filosofi­sche articulatie vinden van de gedachte dat de mens existeert als een wezen dat zichzelf uitlegt. Van deze ontwikkeling in zijn denken getui­gen onder meer zijn artikel ‘Van wezensschouw naar herme­neu­se’ uit 1985 en zijn boek Van Brentano tot Levi­nas: Studies over de fenome­nolo­gie uit 1989. Hij had als een van de eersten in Nederland het werk van Emmanuel Levinas ont­dekt, schreef een aantal boeken over diens door de joodse religieuze traditie geïnspi­reerde filoso­fie, en was ver­ant­woorde­lijk voor de Neder­landse verta­ling van een van de hoofd­wer­ken van Levinas, die in 1987 ver­scheen onder de titel De totali­teit en het Onein­di­ge. Ook is het aan hem te danken dat het werk van de hermeneutici Hans-Georg Gada­mer en Paul Ricoe­ur een vaste plaats kreeg in het Neder­landse universi­taire filosofische onderwijs en onderzoek.

In 1968 werd hij benoemd tot hoogleraar aan de Universiteit van Amster­dam. Zijn leerstoel was ondergebracht bij de toenmalige Centrale Interfacul­teit. Deze was ontstaan toen de wijsbegeerte werd losgeweekt van haar inbedding in de Faculteit der Letteren. Na vele jaren van discussie onder de filosofen van Nederland werd breed het stand­punt onderschreven dat de algemene filosofie niet als een in zichzelf gekeerde discipline kon worden beoefend. Ze moest zich ook richten op een wijsgerige doordenking van de grondslagen van de onderling zeer ver­schillende (vak)wetenschappen uit de andere facul­teiten. Met de Wet op het wetenschappelijk onder­wijs van 1960 vond deze ge­dachte een insti­tutionele bevesti­ging in de vorm een Centrale Interfaculteit. Voor De Boer, als groot voorstan­der van deze ontwikkeling, was zijn leerstoel dus op een institutioneel gezien zeer gelukkige plek in het universitaire bestel te­recht­gekomen.

Zelf heeft hij een toonaangevende bijdrage geleverd aan het wijsgerig onder­zoek van de methodologische vragen die de beoefening van de menswe­ten­schappen oproept. Zeer bekend is geworden zijn in 1980 verschenen boek Grond­slagen van een kritische psychologie, waarvan in 1983 een Engelse vertaling werd gepubliceerd. Hij be­schrijft twee, metho­disch gezien onderscheiden, types menswetenschappen die het gedrag van de mens onder­zoeken: de empi­risch-analytische psycho­logie, die naar het model van de natuurwe­ten­schappen uitgaat van de principes van analy­seer­baarheid en wetmatig­heid, en de hermeneutische menswetenschap waarin de mens wordt onderzocht vanuit de principes of postulaten intentionaliteit, inte­gri­teit, ratio­naliteit, uniciteit en authentici­teit. Hier staan twee opvat­tingen over het statuut van de mens tegenover elkaar: de mens als louter machine en de mens als een wezen dat zichzelf uitlegt. Een weten­schap van de mens dient met het twee­de rekening te houden, zo staat op de achterflap van het boek te lezen. Als ze dat doet door de zelfuitleg als het omvattende kader te erken­nen, blijkt dat ook de eerste benadering van de menselijke natuur in zekere mate een eigen geldig­heid heeft. Hij komt in zijn boek uit op een kriti­sche psy­cholo­gie die als hermeneu­tische weten­schap van de mens een empi­risch-analytische com­ple­ment in zich dient op te nemen. Delen van dit boek maakten jaren­lang deel uit van de door ver­scheidene docenten ver­zorgde colleges Inlei­ding in de filosofische antro­pologie en Cultuurfilo­sofie.

De Centrale Interfaculteit was helaas geen lang leven beschoren. In 1980 werd zij in het kader van een door de regering doorgevoerde bezuiniging op het universitaire onderwijs en onderzoek omgevormd tot de Facul­teit der Wijsbe­geerte. Hierdoor werd filosofie weer getrans­for­meerd in een apart ken­nisdo­mein. De Boer betreurde zeer de teloor­gang van de onderwij­s­idealen waaruit de eerdere stichting van een Centrale Interfaculteit was voortgeko­men. Hij vond dat de filosofie zou afsterven als ze zich iso­leerde van cultuur en weten­schap en zich tot louter vakspeci­alis­tisch onderzo­ek zou beper­ken.

Hij had een bijzondere wijze van lesgeven. Dat kwam op zijn best tot uiting gedurende zijn werkcolleges voor een kleinere groep studenten. Hij zocht zorgvuldig de teksten uit die de studenten nauwkeurig moesten bestuderen. Tij­dens de eigenlijke werkcolleges gaf hij maar spaarzaam uiteenzettingen waarin aan de studenten werd voorgeschoteld hoe de kwes­tie die in de tekst aan de orde werd gesteld, in elkaar stak. Hij liet liever de deel­ne­mende stu­denten zelf zoeken naar de inzichten die de gelezen auteurs op het spoor probeerden te komen. Maar je moest wel wat doen om daarvoor het juiste onder­wijskader te scheppen. Onder­wijs geven was volgens hem vooral de studen­ten ge­ruststel­len, niet door hun te vertellen wat het geval is, maar door hen in een situa­tie te bren­gen waarin ze gaan merken dat ze wel iets met de onze­kerheid kunnen aanvangen die onvermij­delijk op­treedt wanneer je een mogelijke waarheid aan het ontdekken bent.

De Boer was een goed voorbeeld van hoe hij en zijn tijdgenoten gewoon waren hun taak aan de universiteit op te vatten. Uiter­aard behoorde daartoe boeken lezen, daarover schrijven en lesgeven. Maar als filo­soof kon je je niet met je collega’s opsluiten binnen de muren van de academie. Je had de verant­woordelijkheid om je ook tot het grotere pu­bliek te richten, door lezingen te houden en aan openbare discus­sies in woord en geschrift deel te nemen. Daarbij was het dan wel nodig ervoor te waken dat het publiek het al te gemak­kelijk kreeg door het met een te veel aan versim­pelingen tege­moet te komen. Steeds moest je als spreker en schrijver blijven uitleggen hoe belang­rijke elemen­ten in de filosofi­sche gedach­ten­gang die je je eigen had ge­maakt, voor het publie­ke debat van belang waren, zonder dat daarbij het contact met de kritische potentie van de filosofie verlo­ren ging. Een filoso­fische beschou­wing moest bij de toe­hoorders toch ook een zekere mate van veront­rusting teweegbren­gen, wilde zij hout snijden.

Bij zijn emeritaat in 1997 aan de Vrije Universiteit houdt hij in zijn rede De vier zuilen van de filosofie zijn oud-collega’s en vroegere studenten nog eens voor dat filosofie niet kan bestaan van rationeel redeneren alleen, wat de vierde zuil uitmaakte van het filosofische denken. De drie andere zuilen zijn minstens zo belangrijk. Zonder inspi­ratie, aan­dacht voor de concrete ervaring en ver­beel­dingskracht blijft het filoso­fische denken immers dood.

Hij had een zeer groot aantal promoven­di, waarvan een substantieel deel vrouw was. Toen hij met emeritaat ging, stelden zijn vrouwelijke promo­vendi een aan hem opgedragen bundel met essays samen die zij de titel Liber amica­rum: over kunst, litera­tuur en filoso­fie meegaven. In het woord vooraf wordt terecht opgemerkt dat De Boer verant­woorde­lijk was geweest voor de bege­leiding van ‘een aanzien­lijk deel van de overigens nog zeer kleine groep vrouwe­lijke doc­tors in de filosofie in Neder­land’. De mannelijke promoven­di moesten het met een eigen liber amicorum doen, geti­teld Hermeneu­tiek en poli­tiek. Veel van zijn promoven­di zijn later aan de Afde­ling Filoso­fie van de Univer­siteit van Amster­dam of aan andere universi­teiten in Nederland komen te werken.

De Boer had het niet zo op met de bestuurlijke taken waarmee docenten aan de universi­teit worden opgezadeld. ‘Hou eens op met alle onzin’ zegt en schrijft hij aan het einde van zij afscheidsrede, ‘en ga gewoon aan het werk: lezen, schrijven en voorlezen. Tot de onzin van het huidige filoso­fenbe­staan reken ik: het verplichte groepsdenken, onderzoeks­scho­len, visita­tie­commissies, pilotstudies, dieptestrate­gische ontwerpplan­ningsinitia­tieven (DOPI), leer­stoel­groepen (of groeps­leerstoelen) enzo­voort.’ Zeker, hij maakt hier om zijn punt kracht bij te zetten overmatig gebruik van de retorisch figuur van de over­drijving. Desal­niette­min zullen velen aan onze afdeling beamen dat zijn verzuchting niet aan actualiteit heeft ingeboet. Wat uiteraard wel is aangepast is de beleids­taal van toen: de universitaire bestuurders hebben deze enige modernise­ring laten ondergaan.

Na zijn emeritaat bleef hij algemeen bekend vanwege de vele krantenarti­ke­len die hij schreef. Hij gaf vanuit de filosofie commentaar op aller­lei maat­schappelij­ke en culturele ont­wikkelin­gen. Maar opnieuw blijkt hoe belangrijk poëzie voor hem was, als een toegangs­weg tot de filosofie. In zijn eigen woor­den: ‘de dichter sugge­reert iets, hij roept een beeld op en zegt “kijk”. En de filosoof plaatst wat hij ziet in een horizon en probeert dat raam­werk bewust te maken’. Dit is wat hij zelf in prak­tijk bracht door jaren­lang teza­men met Henk Steenhuis een column te verzorgen voor het dagblad Trouw. Zij deden daarin ver­slag van hun ge­sprek­ken waarin zij gedich­ten van Ne­der­land­se en an­dersta­lige dichters in een filosofisch perspectief plaatsten. In 2011 werden deze co­lumns gebun­deld in een prach­tig uitgave onder de titel Denken over dich­ten: hartstocht en rede komen in contact. Veel eerder, in 1993 was een grote studie van hem verschenen over wat de filosofie van de poëzie kan leren om te be­grijpen wat het betekent dat de mens een wezen is dat zichzelf uitlegt: Tamara A., Awater en andere verha­len over sub­jectivi­teit.

De laatste anderhalf jaar van zijn leven bracht hij door in een verpleeg­huis in Amstel­veen. De zuster, die hem kordaat en liefdevol bij­stond, noemde hem steevast ‘de meneer van de boeken’. En inder­daad, op een plankje dat aan een muur van zijn kamer was bevestigd, lagen de boeken die hij had geschre­ven, met bovenop de stapel zijn laatste boek Denken over dichten.


Maarten Coolen