Boeksignalement: ‘How reason almost lost its mind’

door: Prof. Dr. Jeroen van Dongen

14 juni 2016

Hoe oordeelt de mens? Wat is de juiste manier van oordelen? En hoe komen we daar achter? Dit zijn relevante vragen, zeker als het vermogen van oordelen onder grote tijdsdruk van cruciaal belang is; bijvoorbeeld wanneer het een oordeel over leven of dood betreft, of, sterker nog, het voortbestaan van life as we know it. In ‘How reason almost lost its mind. The strange career of Cold War rationality’, door Paul Erickson, Judy L. Klein Daston, Rebecca Lemov, Thomas Sturm, and Michael D. Gordin (University of Chicago Press, 2013) volgen we hoe de Koude Oorlog vooral onderzoek naar een bepaald soort van antwoord op deze vragen stimuleerde: een antwoord dat uitging van de ‘rationele’, in plaats van de ‘redelijke’ mens.

Oordelen onder extreme tijdsdruk was hoogst actueel in de hoogtijdagen van de Koude Oorlog. Onder hoogspanning moest toen in de war room van het Witte Huis tactisch gekozen worden om te ‘escaleren’ of ‘de-escaleren’: “zetten we die bom nu in of niet, en wat zouden de Russen dan gaan doen?” Om zich voor te bereiden op deze keuze wendden Amerikaanse overheid en leger zich in de jaren na de tweede wereldoorlog met graagte tot de wetenschap, en wel de sociale wetenschap. Maar dan sociale wetenschap met een bepaalde inslag: zo ging men ervan uit dat de beste gids in situaties als bovenstaande de speltheorie was, zoals deze kort ervoor ontwikkeld was door wiskundige John von Neumann, tezamen met econoom Oscar Morgenstern. Zij hadden voorgerekend hoe je in bepaalde zeer vereenvoudigde situaties altijd zou moeten winnen door op de juiste, ‘rationele’ wijze je stappen te zetten. De verwachting was dat de analyse van eenvoudige boter-kaas-en-eieren-spelletjes gemakkelijk uit te breiden is naar complexere omstandigheden, zoals die van een nucleaire standoff.

De mens als  rekenmachine

En dus werd de speltheorie flink gesubsidieerd door opeenvolgende Amerikaanse regeringen. Maar niet alleen de speltheorie kon rekenen op genereuze aandacht van de diverse Amerikaanse overheidsinstellingen: eigenlijk alle vormen van sociale wetenschap die uitgingen van de mens als een soort rationele (strevend naar maximaal resultaat voor minimale ‘kosten’), algoritmes volgende rekenmachine .. Zo werd op Harvard, betaald door de luchtmacht, bekeken hoe kleine groepen mensen interageerden: de premisse was die interactie te ontleden in ‘event bits’, gekleurd door twaalf elementaire emoties (van ‘shows antagonism’ tot en met ‘shows solidarity’) die weer ‘sociale atomen’ gaven waaruit een universeel Interaction Process viel af te leiden. Inzicht daarin zou zich weer uitbetalen bij, bijvoorbeeld, het aangaan van luchtgevechten. Het wetenschapsbeeld van de fysica is duidelijk te herkennen, en evenzeer dat van de logisch positivisten: de werkelijkheid is opgebouwd uit basale eenheden die zich via logische wetten tot elkaar verhouden en waaruit een universele wereld emergeert. Tegelijkertijd is het niet moeilijk voor te stellen wat de uitwerking van de grote financiële mogelijkheden was: het beeld van de rationele mens, te vangen in cijfers en protocollen, werd leidend in de sociale wetenschap. Gaandeweg werd duidelijk dat mensen van vlees en bloed ook afwijkingen op dat beeld konden vertonen (denk aan concepten als ‘group think’ of ‘verification bias’), die dan weer vooral als afwijking te bestuderen en te behandelen waren. Niettemin verschoof, tot de jaren ’80, de consensus niet, aldus Erickson c.s.         

Morele overweging en intuïtie

Interessant aan deze wetenschapshistorische kijk op een stuk sociale wetenschap is de manier waarop ze het gezag van dit mensbeeld—dat natuurlijk nog steeds veel weerklank heeft—een tijd en plaats toekent. ‘How reason almost lost its mind’ vertelt namelijk ook hoe weinig vanzelfsprekend het ‘rationele’ mensbeeld is als je iets verder in het verleden graaft: in voorgaande decennia (en eeuwen) werd juist de morele overweging en de persoonlijke intuïtie onvervreemdbaar aan het menselijk oordelen geacht te zijn: de rede (en niet, in de terminologie van Erickson et al., de ‘ratio’) werd geacht het essentiële instrument te zijn om tot een oordeel te komen. In de hoogtijjaren van de Koude Oorlog deed men vooral moeite om dat soort van oneigenlijk gemeende overwegingen uit te bannen—in de stellige overtuiging, overigens, dat de Russische opponent er een al even reductionistisch mensbeeld op na zou houden en met een al even ‘rationeel’ spel-theoretisch algoritme aan de andere kant van het nucleaire schaakbord zat. Dat bleek niet zo te zijn, kunnen we nu met enige huiver constateren.      

Verschillende mensbeelden

Het boek van Erickson et al. is op zijn sterkst als het de kennistheoretische verschillen tussen de respectievelijke manieren van kijken aan de kaak stelt, en bespreekt hoe het rationele mensbeeld zich sterk deed gelden in allerlei al te ambitieuze projecten van de sociale wetenschap. Niettemin wil je als lezer wat meer grip krijgen op de oorsprong van dat mensbeeld, en daar (afgezien van korte schetsen van de rol van industriële management studies uit de jaren ’20 in het Amerikaanse leger tijdens WOII) hebben de auteurs wat weinig aandacht voor.  In het verlengde daarvan wordt ook niet echt duidelijk waarom juist ‘ratio’ in plaats van ‘rede’ zo’n gezag kon krijgen—misschien juist omdat haar meest prominente vertegenwoordigers (Von Neumann voorop) toch al heel erg voor verdere bewapening waren en daarom de wind in de rug kregen? Hoe dan ook, ‘How reason lost its mind’ laat vooral overtuigend zien dat het toenmalige gezag van het ‘ratio’ historisch contingent was—dat het niet in de zaak der dingen besloten lag, maar dat een historisch min of meer toevallige samenloop van omstandigheden dit paradigma in de sociale wetenschap sterk naar voren bracht. Zo’n perspectief geeft toch weer een beetje meer gezag terug aan die andere manier om tot een belangrijk besluit te komen: het morele wikken en wegen.

Prof. Dr. Jeroen van Dongen (wetenschapsgeschiedenis, IOP & IIS),directlielid van het nieuw opgerichte onderzoeksinstituut ‘Vossius Center’en als docent verbonden aan het IIS.

Gepubliceerd door  Instituut voor Interdisciplinaire Studies