In Memoriam Klaas Willem van der Veen (1930-2016)

2 juni 2016

Op maandag 30 mei is Klaas van der Veen in Haarlem overleden. Klaas was tot zijn pensionering in 1995 werkzaam als wetenschappelijk medewerker en later hoofdmedewerker bij onze afdeling Antropologie.

In 1978 startten wij samen de sectie Medische Antropologie. Vanaf die tijd hebben wij 17 jaar nauw samengewerkt. Klaas was een perfecte collega en een geliefde docent. Dat blijkt onder meer ook uit het feit dat er twee maal in zijn leven een vriendenboek voor hem gemaakt werd, eerst in 1980 bij het 25-jarig jubileum van zijn aanstelling aan de universiteit en daarna in 1995 bij zijn afscheid. Zoiets overkomt maar weinigen…

Klaas werd in 1930 in Makassar, Indonesië (toen nog Nederlands Indië) geboren. Zijn vader was machinist bij de Koninklijke Paketvaart-Maatschappij (KPM) die tussen de diverse eilanden voer. Anderhalf jaar na zijn geboorte verhuisde het gezin naar Nederland toen zijn vader op 45-jarige leeftijd (!) met pensioen ging. Rond 1950 ging Klaas Sociale Geografie studeren. Antropologie bestond toen nog niet aan de UvA en de eerste generatie antropologen was bijna geheel afkomstig van deze Sociale Geografie. Klaas werd in 1955 wetenschappelijk medewerker en promoveerde in 1969 bij André Köbben op een onderzoek in Gujarat, India naar hypergamie bij Brahmaanse families. Hypergamie is het ‘omhoog-trouwen’ van welgestelde lage-kaste vrouwen met mannen uit een hogere, verarmde kaste. Klaas is zijn hele actieve leven op India gericht gebleven.

Tijdens zijn docentschap was Klaas betrokken bij een experiment van een ‘veldwerkstation’ in Tunesië waarbij vijf tot tien studenten voor hun doctoraal leeronderzoek in het veld begeleid werden door twee docenten, maar tegelijkertijd hun eigen keuze van onderwerp en locatie maakten. Het experiment heeft vanaf 1965 ongeveer vijf jaar geduurd. Samen met Douwe Jongmans, bedenker van het station en Tunesië-expert, heeft Klaas hierover een beschouwing geschreven in de toenmalige Sociologische Gids (1968).

Na zijn promotie ging hij zich interesseren voor sociale en culturele aspecten van gezondheidszorg, zoals de relatie tussen artsen en patiënten en de problemen bij TB-bestrijding. Omdat hij zich als sociale wetenschapper te ver af vond staan van de medische professionals in zijn onderzoek, besloot hij medicijnen te gaan studeren, maar na een jaar besefte hij dat dit te ambitieus was en ging een één-jarige opleiding tot verpleegkundige volgen aan het Marine Hospitaal in Overveen. Hij combineerde dit met een parttime aanstelling aan de universiteit.

Toen in 1978 een landelijke verkaveling van antropologische specialismen werd uitgevoerd, werd de antropologie-afdeling van de UvA verzocht het specialisme Medische Antropologie op te zetten. Dat verzoek was gebaseerd op de aanwezigheid van medisch-antropologisch onderzoek bij drie Amsterdamse collega’s, Klaas van der Veen, Marie Lou Creyghton en ondergetekende. Ondanks het vertrek van Marie Lou in diezelfde periode trok het nieuwe specialisme veel belangstelling en heeft zich – om een lang verhaal kort te houden – sindsdien enorm uitgebreid tot wat het nu is. Het charisma en de toewijding van Klaas hebben daar veel toe bijgedragen.

Klaas was in de laatste tien jaren van zijn loopbaan prominent lid van de Vakgroep Zuid- en Zuidoost Azië, onder andere als voorzitter. Hij droeg krachtig bij aan de bevordering van de wetenschappelijke bestudering van, en banden met, India.

In 1986 werd onder leiding van Klaas van der Veen en Veena Das binnen het Indo-Dutch Programme for Alternatives in Development (IDPAD) een onderzoeksproject opgezet naar ouderenzorg in Nederland. In het kader hiervan kwamen twee Indiase en een Nepalese onderzoeker in Nederland antropologisch veldwerk doen. Het onderzoek vond plaats in een dorp, Schoonrewoerd, in een bejaardenhuis en in een zorginstelling. Helaas zijn – op enkele artikelen en een mooie documentaire na – de bevindingen van dit originele ‘omgekeerde’ onderzoek weinig in de publiciteit gekomen. De drie deelonderzoeken zijn niet gepubliceerd en het gezamenlijke eindverslag ‘The Welfare -State from the Outside: Aging, Social Structure and Professional Care in the Netherlands”(1991) is zelfs niet te vinden in de Universiteitbibliotheek (‘grijze literatuur’ wordt niet opgenomen). Klaas zijn belangrijke – en lijvige – bijdrage ‘Who Cares andWhy? A Comparative Discussion of Cultural Codes and Social Support’ onderging daarmee hetzelfde lot.

De twee eerder genoemde vriendenboeken signaleren de twee belangrijkste thema’s in het werk van Klaas. Het eerste, ‘De ene mens is de andere niet’, bevat 18 essays over gelijkheid en ongelijkheid, een onderwerp dat al in zijn proefschrift centraal stond. Het tweede, ‘Ambivalentie / ambiguïteit: Antropologische notities’, verwijst naar zijn voortdurend hameren op het tegenstrijdige karakter van menselijke relaties en wat mensen daarover zeggen. Hij prikte vooral graag claims van autonomie door. “Mensen zitten aan elkaar vast,” was een van zijn favoriete uitspraken, hoe luid ze ook roepen dat ze hun eigen gang gaan. Vergelijkingen tussen Nederlandse en Indiase observaties hadden hem tot dat inzicht gevoerd. De weldaad van cultuur is dat zij mensen in staat stelt illusies van autonomie op te houden. Hij sprak dan ook graag van culturele codes. Een code is immers een taal die het een zegt en het ander betekent. Die visie werd ook gevoed door de ontwikkelingen na de eerste Maagdenhuisbezetting waar Klaas sceptisch tegenover stond. Die scepsis speelde ongetwijfeld ook een rol in zijn keuze voor een vriendenboek dat hij samen met Peter Kloos redigeerde voor hun gezamenlijke leermeester André Köbben: de tegenstelling tussen ‘wet’ en ‘werkelijkheid’.

De slotwoorden van een ongedateerde en ongepubliceerde tekst over ‘Gelijkheid, gelijkwaardigheid en het menselijk tekort’ tekenen zijn zelfspot en zijn licht provocerende, relativerende opstelling: “Ik ben niet de eerste die wijst op het grote gevaar van ‘het absolute gelijk’ en ik zal ook de laatste niet zijn. Gelijk willen hebben of gelijk willen krijgen is tenslotte een afschuwelijke menselijke behoefte en ik verheel mij niet dat ook het bovenstaande dáártoe een poging is.”

Enkele jaren na zijn pensionering kreeg Klaas een herseninfarct waar hij nooit helemaal van genas. Zijn gezondheid ging langzaam achteruit en vasculaire Alzheimer tastte zijn denken en handelen aan. Drie jaar geleden verhuisde hij naar een verzorgingshuis in Haarlem, dicht bij zijn vrouw Jenny en zijn drie kinderen Aale, Maria en Frans. Met dankbaarheid denk ik terug aan een dierbare vriend en trouwe collega. Degenen die Klaas hebben meegemaakt zullen dat gevoel zeker met mij delen. Klaas, voorgoed gevallen uit de tijd, maar niet uit onze herinnering.

- Sjaak van der Geest

Gepubliceerd door  AISSR